Nu de rookwolken van de eerste Wtp-transitiegolf optrekken, tekenen de contouren van een nieuwe generatie LDI-strategieën zich af, met andere accenten dan gebruikelijk. Drie trends beïnvloeden momenteel de ontwikkeling van de matchingportefeuilles.
Trend 1: Reserveportefeuilles – van impliciet naar expliciet
Onder het FTK vormde de totale portefeuille een buffer voor alle risico’s. Deelnemersvermogen, reserves en voorzieningen werden immers gezamenlijk belegd. Wanneer de rente bewoog, bewoog alles mee. Onder de Wtp is die luxe verdwenen. Het collectieve buffervermogen, oftewel het risicofonds – bestaande uit MVEV, kostenvoorzieningen, Reserve Operationele Risico’s en PVI-voorzieningen – staat er nu alleen voor. Elk onderdeel vraagt om zijn eigen aanpak.
De praktijk laat twee hoofdrichtingen zien. Sommige pensioenfondsen kiezen voor de pragmatische route: laat reserveportefeuilles aansluiten bij een ouder leeftijdscohort uit de lifecycle. Dat is administratief eenvoudig, maar biedt weinig maatwerk. Andere fondsen richten het risicofonds apart in. Dat kost meer governance, maar biedt wel meer ruimte voor maatwerk per component.
Die precisie loont. De kostenvoorziening kent zowel nominaal renterisico als inflatierisico. Voor de nominale component bidet een combinatie van LDI-fondsen over de curve en geldmarktfondsen een nauwkeurige, kostenefficiënte oplossing. Naast de componenten binnen het vermogen voor het risicofonds zijn er pensioenfondsen die separate compensatiedepots vormen met als doel deelnemers te compenseren die nadeel ondervinden van de transitie. Voor deze depots ligt cashflow-matching met hoogwaardige obligaties voor de hand: obligatiekasstromen matchen uitkeringskasstromen binnen 5%, aangevuld met geldmarktfondsen voor liquiditeit.
Het inflatierisico verdient bijzondere aandacht. Veel fondsen waarderen voorzieningen zonder inflatiecomponent, wat een verborgen financieringsrisico creëert. Inflation-linked swaps zijn de meest geschikte afdekking. De Europese inflation-linked obligatiemarkt is namelijk te dun: er zijn geen nieuwe Duitse leningen, de gemiddelde duratie is vier jaar, en Zuid-Europese landen met een lagere rating dan gebruikelijk domineren in de matchingportefeuilles. Hieruit leren we dat de Wtp om expliciete keuzes per component vraagt.